dinsdag 27 januari 2015

Overbuurman

Ik weet dat hij mij ziet als ik in mijn slaapshirt op blote voeten achter een ontsnapt kind aan door de voortuin ren. Ik zie hem als hij in zijn bruine ochtendjas de krant uit de brievenbus pakt.
Ik weet dat hij mij ziet als ik over de drempel van de voordeur stap en mijn corrigerende onderjurk naar beneden trek. Ik zie hoe hij zijn stoepje veegt. Ik weet dat hij mij ziet als ik 's ochtends luid commanderend drie kinderen de auto in duw. Ik zie hem als hij zijn tuin inspecteert.
Hij ziet mij als ik vloekend de auto weer uitstap en naar binnen ren om de vergeten schooltas te pakken. Ik zie hem zijn dagelijkse wandelingetje maken van de voordeur naar de straat en weer terug.
Ik denk dat hij mij wel eens ziet als ik stiekem door de kamer dans.
Ik zie hem om zich heen kijken om te zien of er nog iets gebeurt in de buurt om vervolgens maar weer naar binnen te gaan.
Ik weet dat hij mij ziet als ik bij het raam zit en naar buiten staar. Ik zie zijn silhouet als hij wat gebogen aan zijn eettafel zit.
Ik weet dat hij mij ziet als ik (in zijn ogen eindelijk) iets doe aan het onkruid in de voortuin. Ik zie hem als hij voor zijn raam staat en naar buiten staart.

We spreken elkaar aan met 'u' en sturen elkaar ieder jaar een kerstkaart. We begroeten elkaar vriendelijk als we elkaar tegenkomen. Soms zeggen we iets over het weer of over de tuin. En soms nemen we een pakje van de postbode voor elkaar aan. Hij probeert wel eens een praatje met onze kinderen te beginnen die niet reageren of  hij verstaat niet wat ze zeggen. Ik er ongemakkelijk naast.

Laatst kwam ik hem tegen in de supermarkt. Hij keek naar mijn kar. Ik was me bewust van de overvolle kar en het krat bier in mijn andere hand. Hij hield een mandje vast met één potje erin. Ik zei blozend: "Verjaardagsboodschappen." Alsof ik me wilde verontschuldigen. Hij glimlachte met een soort triomfantelijke blik. Alsof hij me liet weten dat hij daar gelukkig niet meer aan deed. Daarna wenste hij me succes. Ik wenste hem ook succes. Waarmee wist ik eigenlijk niet. Terwijl we ieder een ander gangpad kozen, voelde ik spijt.
Ik had hem willen vertellen dat ik de haartjes op zijn hoofd er altijd zo zacht en pluizig uit vind zien als de wind ze laat wapperen. Ik had willen vragen of ik ze misschien even aan mocht raken en hoe het nou is, sinds zijn vrouw een paar jaar geleden overleed. Maar ik wist niet zeker of ik dat mocht vragen. Zou hij zich wel eens eenzaam voelen? Soms als ik hem zo aan tafel zag zitten kreeg ik die indruk. Maar misschien kwam dat door het licht in zijn kamer.  Zou ik mogen vragen of hij gelooft? En waarin dan? En hoe het is om zo oud te zijn? Was hij veranderd? Was hij nog steeds dezelfde als toen? Toen hij nog werkte. Zou hij van al zijn kinderen evenveel houden? En hoe vaak was hij verliefd geweest in zijn leven? Zou hij wel eens aan doodgaan denken?

Toen onze jongste zoon geboren werd, nodigde ik hem uit voor een kraambezoek. Hij antwoordde met een lach dat hij in zijn leven al genoeg baby's had gezien.

Zo door de jaren heen ben ik gesteld geraakt op zijn aanwezigheid. Ook al hebben we elkaar nog nooit écht gesproken. Ik overweeg wel eens om hem uit te nodigen voor een kop koffie. Maar ergens weet ik dat hij daar, net als ik, eigenlijk niet op zit te wachten. Dat wat we hebben is precies goed zoals het is.


Morgen spreken we weer af.  Ik zit bij het raam. Hij staat bij zijn brievenbus.